Waarom een spoor 2 traject bij burn-out zo vaak stilstaat

Artikel 1 in een reeks over herstel, belastbaarheid en werkhervatting

Er zit iemand tegenover je die veertien maanden thuis is. Op papier loopt er een traject. Er is een zoekprofiel gemaakt, er is een sollicitatietraining ingekocht, er ligt een afspraak over het aantal sollicitaties per maand.

En er gebeurt niets.

De casemanager ziet een dossier zonder beweging. De werkgever ziet kosten en een naderende WIA-aanvraag. De werknemer ziet vooral bewijs dat hij het inderdaad niet meer kan.

Dit komt zo vaak voor dat het geen incident meer is. Het is een patroon. En ik denk dat we het verkeerd verklaren.

Eerst de cijfers, want die zijn ongemakkelijk

Het aandeel werknemers met burn-outklachten lag in 2014 op 13 procent. In 2023 op 19 procent. In 2025 op 21 procent. Ruim een op de vijf.

Bij UWV lagen de WIA-toekenningen op grond van psychische klachten in 2025 zo’n 29 procent hoger dan in 2022. Voor 2026 verwacht UWV opnieuw een forse stijging. In zorg en welzijn alleen al ging het om ruim veertienduizend toekenningen, ongeveer een kwart van het totaal. In het onderwijs steeg de instroom sinds 2022 met 43 procent, bij het openbaar bestuur met 52 procent.

En dan het cijfer waar in onze eigen branche opvallend weinig over wordt gesproken. Uit onderzoek in opdracht van het ministerie van SZW bleek al in 2016 dat het merendeel van de tweede spoortrajecten niet leidt tot plaatsing bij een andere werkgever. Werkgevers noemden gebrek aan grip en wisselende kwaliteit van dienstverlening. Richting UWV klonk het verwijt dat vooral naar het proces werd gekeken en te weinig naar het resultaat.

Er wordt dus steeds meer ingekocht, voor een groep die hard groeit, met een rendement dat al bijna tien jaar te wensen overlaat.

Dat is geen verwijt aan casemanagers. Die zitten klem tussen een termijn, een bedrijfsarts en een aanbod dat grotendeels op elkaar lijkt.

Het verhaal dat coaches hierover vertellen klopt maar half

In mijn vakgebied hoor je vaak dezelfde verklaring. Er wordt te vroeg geduwd. Laat mensen eerst rustig herstellen, dan komt werk vanzelf.

Dat klinkt zorgzaam. Het is ook grotendeels onjuist.

De multidisciplinaire richtlijn Overspanning en burn-out, waar bedrijfsartsen en huisartsen mee werken, zegt vrijwel het omgekeerde. Verzuim dat langer duurt dan drie maanden verkleint de kans op succesvolle werkhervatting en vergroot de kans op baanverlies. Gedeeltelijk blijven participeren bevordert juist het gevoel van controle en het herstel van functioneren.

Wachten tot iemand er weer helemaal is, is dus geen zachte keuze. Het is een risico dat we vaak liefdevol noemen.

Toch klopt er iets niet aan een traject dat na twaalf maanden opent met een zoekprofiel en een sollicitatietraining. Alleen zit het probleem ergens anders dan bij de vraag of het te vroeg of te laat is.

Waar het volgens mij wel zit

Diezelfde richtlijn beschrijft herstel in drie fasen.

Een crisisfase van gemiddeld drie weken. Rust, dagstructuur, en accepteren wat er is gebeurd. Iemand in deze fase kan niet nadenken over de toekomst, want het systeem staat nog in de overleefstand.

Een probleem- en oplossingsfase van drie tot zes weken. Nu wordt zichtbaar wat er speelt, hoe beïnvloedbaar dat is en wat er moet veranderen. De blik verschuift van het probleem naar de oplossing.

Een toepassingsfase van ongeveer zes weken. Inzichten en vaardigheden worden in de praktijk gebracht. Thuis, sociaal, en in het werk.

Kijk nu nog eens naar een gemiddeld spoor 2 traject. Zoekprofiel, arbeidsmarktoriëntatie, sollicitatievaardigheden, presentatie. Dat is een programma voor de toepassingsfase. Het veronderstelt iemand die weet wat er is misgegaan, weet wat hij nodig heeft, en dat nu gaat vertalen naar ander werk.

Alleen zit een groot deel van de mensen die na een jaar in spoor 2 belandt daar helemaal niet. Die zitten nog in de crisisfase.

Niet omdat drie weken te kort waren. Maar omdat er tussen maand twee en maand negen weinig anders is gebeurd dan wachten. Wachten op de bedrijfsarts, wachten op een verwijzing, wachten op een besluit. En dat wachten heeft er een tweede laag klachten bovenop gelegd.

Zo’n traject is dan formeel gewoon adequaat. Er is een zoekprofiel, er zijn logische activiteiten, de Werkwijzer Poortwachter is gevolgd. Het is alleen inhoudelijk niet afgestemd op de fase waarin deze mens zich bevindt.

En die fase meet vrijwel niemand.

Dat is het gat.

Bij welke mensen dit het hardst aankomt

Er is een groep bij wie dit misgaan bijna voorspelbaar is.

Mensen die hooggevoelig zijn. Mensen met autisme of ADHD. Mensen die naast de uitval ook trauma met zich meedragen, soms met een PTSS die pas in beeld komt als de dagelijkse drukte wegvalt.

Wat ze gemeen hebben is niet dat ze minder kunnen. Vaak hebben ze juist jarenlang bovengemiddeld gepresteerd, met een compensatie die niemand zag en die op een dag ophield te werken.

Wat ze wel gemeen hebben is dat herstel bij hen anders verloopt. Prikkelverwerking speelt een grotere rol. Een druk kantoor is voor hen geen randvoorwaarde maar een belastende factor. En het standaardpakket van een re-integratietraject, met groepstrainingen, wisselende contactpersonen en een vol schema, is voor deze mensen zelf een bron van belasting.

Ik ben voorzichtig met claims over hooggevoeligheid, want het onderzoek daarnaar is minder eenduidig dan de coachingswereld doet voorkomen. Daar wijd ik een volgend artikel aan. Maar dat sommige mensen structureel meer hersteltijd nodig hebben na een prikkelrijke omgeving is in de praktijk moeilijk te ontkennen. En het staat vrijwel nooit in een zoekprofiel.

Wat er dan wel nodig is

Drie dingen, en geen daarvan is ingewikkeld.

Een nulmeting die verder gaat dan uren. Niet alleen hoeveel uur iemand aankan, maar in welke herstelfase iemand zit, waar de energie weglekt en hoe het staat met prikkelverwerking en herstel na inspanning. Dat is meetbaar, herhaalbaar en bruikbaar in een dossier.

Inhoud die past bij die fase. Zit iemand nog in de crisisfase, dan is dagstructuur en herstel van regie het werk, en niet solliciteren. Dat kost geen extra tijd. Het voorkomt de maanden die nu verloren gaan aan activiteiten die niet aankomen.

Rapportage waar een casemanager iets aan heeft. Niet een verslag over gevoel, maar over ontwikkeling van belastbaarheid, wat er is gedaan en wat er nog nodig is. Bruikbaar bij de toets op re-integratie-inspanningen. En een telefoontje als het stagneert, niet pas bij de volgende rapportagedatum.

Tot slot

Ik werk sinds 2002 met mensen die zijn vastgelopen. Ik heb zelf een periode van uitval meegemaakt en weet hoe traag herstel gaat en hoe hardnekkig de patronen eronder zijn.

Wat me de laatste jaren opvalt is dit. We hebben in Nederland een systeem gebouwd dat goed controleert of er iets is gedaan, en nauwelijks kijkt of het aansloot bij waar iemand op dat moment stond.

Daar valt iets aan te doen. Zonder de wet aan te passen, en zonder zweverig te worden.

Ik ben benieuwd hoe casemanagers, arbeidsdeskundigen en bedrijfsartsen hier zelf naar kijken. Herkennen jullie dit, of zie ik iets over het hoofd?

Ik hoor het graag. Zo werk ik samen met werkgevers en arbodiensten.


Bronnen

  • Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2025, CBS en TNO, via Arboportaal, april 2026
  • UWV, WIA-instroom onder de loep, cijfers 2025 en prognose 2026
  • Panteia, De Beleidsonderzoekers en SEO Economisch Onderzoek, De theorie en praktijk van re-integratie tweede spoor, in opdracht van het ministerie van SZW, 2016
  • NHG-standaard en multidisciplinaire richtlijn Overspanning en burn-out, NVAB en NHG
  • Werkwijzer Poortwachter, UWV